Wat kunnen we leren van vijftig jaar ontwerpen aan Almere? Die vraag stond centraal tijdens de fietsexcursie die de BNA (Bond Nederlandse Architecten) tijdens de Dag van de Ontwerpkracht organiseerde, in samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Onder leiding van stedenbouwkundige Ria van Dijk van de gemeente Almere trok een groep van 25 deelnemers door Almere Stad. De fiets bleek daarbij het ideale vervoermiddel om ook de samenhang tussen de verschillende wijken te verkennen en de straten, groen, water en buurten te ervaren.

Almere is vanaf het begin opgezet als een meerkernige stad. De verschillende stadsdelen werden van elkaar gescheiden én met elkaar verbonden door omvangrijke groenstructuren. Almere Stad werd vanaf 1978 ontwikkeld als tweede kern, na Almere Haven. Binnen deze jonge stad konden stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten en architecten relatief vrij experimenteren met nieuwe woonmilieus, verkeerssystemen en vormen van gemeenschappelijkheid.

In de Kruidenwijk, Stedenwijk en Filmwijk gingen ontwerpers van het eerste uur – de ‘peetouders’ van Almere – in gesprek met een nieuwe generatie architecten van Bright New Architects. Bright New Architects is een actief netwerk van en voor nieuwe architecten. Samen onderzochten zij de ideeën achter de oorspronkelijke stedenbouw en architectuur. Wat waren destijds de ambities? Welke kwaliteiten zijn behouden gebleven? En wat kunnen ontwerpers daarvan leren bij de aanpak van de huidige woon-, klimaat- en mobiliteitsopgaven?

Behoud kwaliteit vergt doorontwikkeling

De Kruidenwijk laat zien hoe met relatief eenvoudige middelen een groene en overzichtelijke woonomgeving kan worden gemaakt. De woonstraten, fiets- en wandelroutes en groene ruimten vormen een fijnmazig netwerk. Doorgaand autoverkeer is beperkt, terwijl langzaam verkeer en openbaar vervoer een herkenbare plaats in de wijk hebben. De overwegend aaneengesloten woningbouw krijgt variatie door verschillen in verkaveling, openbare ruimte en groen. Juist de overgangszones tussen woning en straat – voortuinen, stoepen, plantsoenen en speelplekken – blijken belangrijk voor informele ontmoeting en betrokkenheid bij de buurt.

In de Stedenwijk werd zichtbaar hoe in de vroege ontwikkeling van Almere werd gezocht naar een menselijke schaal. De wijk bestaat uit verschillende buurten met ieder een eigen opzet, maar maakt tegelijkertijd deel uit van het grotere stedelijke systeem van dreven, vrijliggende busbanen, fietsroutes en groenstructuren. De excursie maakte ook duidelijk dat de oorspronkelijke ontwerpprincipes niet vanzelfsprekend intact blijven. Toenemende parkeerdruk, aanpassingen aan woningen en veranderingen in beheer kunnen de samenhang van een wijk geleidelijk verzwakken. Behoud van kwaliteit vraagt daarom niet om het bevriezen van een buurt, maar om zorgvuldige doorontwikkeling.

Vragen van toen opnieuw actueel

De Filmwijk, voortgekomen uit de BouwRAI van 1992, toont de meer uitgesproken experimentele kant van Almere. Architecten en ontwikkelaars werden destijds uitgedaagd om toekomstgerichte woningen en woonomgevingen te ontwerpen en bestaande normen ter discussie te stellen. Dat resulteerde in een grote variatie aan woningtypen, architectuur en openbare ruimten, met aandacht voor veranderende huishoudens, bewonersinvloed, duurzaamheid en nieuwe bouwtechnieken.

Tijdens de gesprekken bleek dat veel vragen van toen opnieuw actueel zijn. Hoe combineren we woningbouw met leefkwaliteit? Hoe maken we ruimte voor ontmoeting en gemeenschappelijkheid? En hoe ontwerpen we wijken die kunnen veranderen zonder hun karakter te verliezen?

Daarin lag ook de belangrijkste opbrengst van de excursie. De pioniersgeest van Almere zit niet alleen in opvallende experimenten, maar vooral in de bereidheid om bestaande werkwijzen ter discussie te stellen. Door de ervaringen van de eerste generatie te verbinden met de vragen en ideeën van jonge ontwerpers ontstaat geen nostalgische terugblik, maar een kritisch gesprek over de toekomst. Vijftig jaar Almere laat zien dat een stad nooit af is: iedere generatie moet haar opnieuw bekijken, aanpassen en met dezelfde nieuwsgierigheid verder ontwerpen.